Gebruiksaanwijzing R21               Druk deze pagina af klik hier.  

Belangrijk: 

Voer alle in deze handleiding beschreven veiligheidscontroles uit voordat u met uw Di Blasi vouwfiets gaat rijden.
De Di Blasi-vouwfiets mag niet worden gebruikt voor terreinrijden, wielrennen, of het vervoeren van zware lasten. 
De fiets is allen bedoeld voor gebruik als normale toerfiets.

Verkeersregels.

Op de weg:

Verder:

 Inhoud:

1.           Technische gegevens
2.           Uitvouwen van de fiets.
3.           Opvouwen van de fiets
4.           Bediening.
4.1.        Leer de fiets kennen 
4.2.        Pedalen.
4.3.        Bediening van de remmen. 
4.4.        Werking van de derailleur.
4.5.        Verlichting.
5.           Afstellen.
5.1.        Afstellen van de de stuurvergrendeling
5.2.        Afstellen van de stuur scharnieren (fig. 16)
5.3.               Afstellen van de zadelhoogte (fig. 17)
5.4.               Bandenspanning.
5.5.               Afstellen van de dereilleur.
5.6.               Afstellen van remmen.
5.7.               Afstellen van de wiellagers. (fig. 24)
5.8.               Afstellen van het trapstel.
5.9.               Bel.
5.10.            Afstellen van de stuurhoogte.
6.                    Onderhoud.
6.1.               Bedieningskabels.
6.2.               Ketting.
6.3.               Scharnieren.
6.4.               Bouten en moeren
6.5.               Pedalen.
6.6.               Remnokken.
7.          Reserveonderdelen.

1.                     Technische gegevens  

Type:

 Afmetingen:

 Banden:

 Gewicht:

 Zadel:

 Remmen:

 Kettingblad:

Wielen:

Pignon:

Derailleur:

Maximale belasting:

2. UITVOUWEN VAN DE FIETS  

In gevouwen toestand blijft de fiets op de bagagedrager staan (fig. l). Maak het stuur los van de snelbinder. Til het stuur omhoog en druk het stevig tegen de haak totdat de stuurbuis in verticale stand is vergrendeld. Let erop dat de haak in de juiste stand staat en dat de veer van de haak goed werkt (zie 5. l).
Ontgrendel de haak bij de trapas en trek het zadel naar achteren…

…totdat het frame is vergrendeld door de haak onder het zadel.
Klap de pedalen uit (zie 4.2).

Klap de standaard uit.

3. OPVOUWEN VAN DE FIETS  

Klap de standaard in. Klap de pedalen in.

Draai het stuur licht naar rechts (ongeveer 15 graden) en houd het wiel tijdens de vouwprocedure in deze positie.

 

Ontgrendel de haak onder het zadel en duw het zadel naar voren (denk eraan om het wiel iets naar rechts te houden) zorg ervoor dat het frame vergrendeld door de haak bij het trapstel (til zo nodig het trapstel op).
Ontgrendel het stuur en draai dit naar de rechterzijde tot aan de zijkant van het achterwiel. Tijdens het draaien van het stuur trekt de voorvork zichzelf in naar achteren en maakt de rechterforkpoot contact met de achterband. De fiets kan op de bagagedrager staan.

4 Bediening

4.1. Leer de fiets kennen

Voordat u uw eerste rit maakt, controleert u de remmen en versnelling. Leer de fiets en de rijeigenschappen kennen.
Doe dit op een plaats zonder verkeer of obstakels. Een fiets rijdt het gemakkelijkst wanneer de zadelhoogte zo is
ingesteld dat u op het zadel zittend met gestrekt been uw hak nog net op de laagste trapper kunt zetten.

4.2. Pedalen

Voordat u met de fiets kunt rijden, moeten de pedalen haaks op de cranks worden uitgeklapt.
U moet daarbij een duidelijke klik horen.
Controleer of de lip A volledig achter de nok B van het pedaallager valt (fig. 9).
Om het pedaal weer in te klappen, licht u de lip A met de duim op (fig. 10)
zodat deze vrijkomt van de nok B; tegelijkertijd drukt u het pedaal tegen
de crank zodat het niet meer kan verdraaien.

De pedalen zijn beproefd met een belasting van 150 kg.
Na een ongeval of overbelasting moeten de pedalen worden
gecontroleerd op scheuren.
Ga niet op de pedalen staan bij het rijden over oneffen wegdek;
door plotselinge overbelasting kan een pedaal afbreken en een ongeval veroorzaken.

 4.3. Bediening van de remmen

De rechterhandel aan het stuur bedient de achterrem; de linkerhendel aan het stuur bedient de voorrem.
Bij het remmen verschuift het gewicht van de berijder naar voren, waardoor er meer gewicht op het voorwiel komt te rusten. Hierdoor is
de voorrem veel effectiever dan de achterrem. Wees daarom voorzichtig bij het bedienen van de voorrem, vooral in scherpe
bochten en op grind of een ander onverhard wegdek. Het is een goede gewoonte eerst de achterrem te gebruiken en dan pas, 
indien nodig, de voorrem. Oefen geleidelijk druk uit op de remhendels zonder deze plotseling in te knijpen. 
Op deze manier voorkomt u slippen van het achterwiel of blokkeren van het voorwiel.
 

   4.5. Werking van de derailleur

De derailleur wordt bediend door middel van een versnellingshendel rechts
aan het stuur (fig. 1 l). De derailleur heeft als functie de ketting van de ene tandkrans van de pignon naar een andere te verplaatsen.
Met de versnellingshendel bepaalt u de stand van de ketting. Door de hendel te verdraaien verschuift u de ketting naar een andere tandkrans,
waardoor de overbrengingsverhouding tussen het kettingblad (vooraan) en de tandkrans (achteraan) verandert.

In fig. 11 geven de punten 1-2-3-4-5-6-7 de stand van de  versnellingshendel aan voor elke tandkrans, van klein naar groot.

Trap tijdens het schakelen gewoon door, zonder kracht te zetten, totdat u de stand hebt gevonden waarbij u bij een bepaalde snelheid een
comfortabele trapkracht en -snelheid hebt gevonden.
Om schade te voorkomen dient u de volgende regels in acht te nemen:
Trap nooit achteruit tijdens het schakelen, Verminder de kracht op de pedalen tijdens het schakelen;
Schakel alleen met draaiende wielen en pedalen.

4.6.         Verlichting

Fiets alleen in het donker wanneer dit onvermijdelijk is en wees daarbij extra voorzichtig.
De fiets is voorzien van voor- en achterverlichting. De spanning wordt geleverd door een dynamo.
Verder is de fiets voorzien van een witte reflector aan de voorzijde (ingebouwd in het voorlicht), een rode
reflector aan de achterzijde (ingebouwd in het achterlicht), spaak- en pedaalreflectoren.
Voor een goede werking is het van groot belang dat lichten en reflektoren te allen tijde schoon worden gehouden
en in de juiste stand staan.
De dynamo die de elektriciteit levert voor de verlichting bevindt zich aan de rechterzijde van de voorvork (fig. 12)
 en moet worden ingeschakeld bij
rijden 1uur voor en na zonondergang en  avonds. Om de dynamo in te schakelen drukt u op de kleine

hefboom aan de dynamobeugel (fig. 12 - A); de dynamo werkt wanneer het voorwiel draait.
Om de dynamo uit te schakelen trekt u het dynamowieltje van de fietsband af; de dynamo klikt in de ruststand vast.
Bij rijden 's avonds is het aan te
raden snelheid te minderen om slecht zichtbare obstakels of beschadigd
wegdek te kunnen ontwijken.

5.AFSTELLEN

5.1. Afstellen van de stuurvergrendeling

De stuurbuis wordt in verticale stand op zijn plaats gehouden door een vergrendeling. Controleer voor het rijden of:
de vergrendeling goed is gesloten; de stuurbuis moet helemaal worden omvat (fig. 13);
De veer de vergrendeling stevig gesloten houdt.
Rijdt nooit op de fiets wanneer de vergrendeling niet meer in de juiste stand staat (fig. 14) of wanneer de veer
de vergrendeling niet stevig gesloten houdt. De stand van de vergrendeling kan als volgt worden afgesteld (fig. 15):


Draai de schroef A los;
Draai de excentrische ring B enigszins om de
positie van de vergrendeling te veranderen;
Wanneer de vergrendeling goed om de buis valt

(fig. 13) draait u de schroef A weer vast. Controleer of de vergrendeling in de juiste stand staat door het
stuur enkele malen te vergrendelen en te ontgrendelen.

5.2. Afstellen van het stuurscharnier (fig. 16)

Indien het stuurscharnier los aanvoelt, kunt u dit als volgt verhelpen.
Draai de borgmoer (A) los; Verdraai de schroef (B) zo dat de speling verdwijnt zonder de schroef strak aan te draaien;
Draai de borgmoer (A) aan.Let erop dat bij het inklappen van het stuur de moer A en de
schroef B niet meedraaien. Als dit wel het geval is, verhelpt u dit als volgt.
Draai de borgmoer (A) los; Draai de schroef (B) een klein stukje los; Draai de borgmoer (A) weer vast.


5.3. Afstellen van de zadelhoogte (fig. 17)

Het zadel kan op vier verschillende hoogten worden vastgezet.
De zadelhoogte kan als volgt worden veranderd wanneer de iets is uitgeklapt:
Draai de beide vergrendelingen op de voorste en achterste zadelpennen los; Verwijder de moeren en bouten;
Om de zadelhoogte te vergroten pakt u het zadel aan de voor- en achterzijde vast en werkt u het omhoog totdat
de gaten in de zadelpennen en de zadelbuizen weer samenvallen; Breng de bouten en moeren weer aan en draai deze vast.

Let erop dat de moerhendels langs de zadelpennen vallen zodat deze niet in kleding kunnen haken.
Om de zadelhoogte te verkleinen gaat u op gelijksoortige manier te werk, 
alleen duwt u het zadel naar beneden totdat de gaten in de
zadelpennen en de zadelbuizen weer samenvallen.

5.4. Bandenspanning  

De juiste bandenspanning is: Voor: 2,5 bar Achter: 3,0 bar Let erop dat de randen van de band langs de hele omtrek tegen
de velgranden liggen en dat het ventiel recht door het gat in de velg steekt. De binnenbanden zijn, net als autobanden
, voorzien van Schräder ventielen. Hierdoor kunnen de banden bij elk tankstation worden opgepompt.
Laat de banden ongeveer 1/3 leeglopen wanneer de fiets per vliegtuig wordt vervoerd.

 5.5. Afstellen van de derailleur

 Afstellen van de derailleuruitslag (gemakkelijker te doen zonder ketting)

Beweeg het bovenste geleidewieltje onder de kleinste tandkrans en draai
vervolgens de instelschroef H totdat het geleidewieltje in lijn is met de tandkrans (fig. 18);

Beweeg het bovenste geleidewieltje onder de grootste tandkrans en draai vervolgens de instelschroef L totdat het
geleidewieltje in lijn is met de tand krans (fig. 19).

 Afstellen van de versnellingshendel

Zet de derailleur in het grootste verzet (met de versnellingshendel ongeveer haaks op het stuur).
In deze stand loopt de ketting over de kleinste tandkrans; Draai het trapstel. Als de ketting
tegen de tweede tandkrans rammelt of er zelfs op loopt, draait u de stelbout (A) (fig. 20) rechtsom totdat
de ketting soepel over de kleinste tandkrans loopt; 
Zet de versnellingshendel in de volgende stand terwijl u het trapstel in
de traprichting draait;Als de ketting niet naar de volgende tandkrans beweegt, 
verhoogt u de spanning op de bedieningkabel door de
stelbus (A) linksom te draaien totdat de ketting soepel over de tweede tandkrans loopt; 
Draai het trapstel in de traprichting en
controleer de afstelling door alle versnellingen te doorlopen. Stel zo nodig bij;De derailleur is voorzien van een

stelbout (fig. 21) waarmee de afstand tussen het bovenste geleidewieltje en de tandkrans kan worden veranderd.
Deze afstelling moet worden gedaan met gemonteerde ketting en het geleidewieltje onder de grootste tandkrans.
Indien het geleidewieltje de tandkrans raakt (te controleren door het trapstel achteruit te draaien),
verdraait u de bout B totdat het geleidewieltje de tandkrans niet meer raakt. 
Hiermee bent u verzekerd van nauwkeurig schakelen.

5.6. Afstellen van de remmen

Voor een juiste werking van de remmen moet de slijtage van de remschoenen van tijd tot tijd worden gecompenseerd.
De afstelling vindt plaats bij de remmen (zie fig. 22 en 23):Draai de borgmoer (C) los;
Om de rem strakker te maken draait u deholle bout (A) zo ver los dat de remkabel strak staat terwijl het
wiel nog vrij kan draaien;Zet de borgmoer (C) vast door deze rechtsom te draaien.
Let op dat de holle bout (A) niet meedraait;Draai het wiel rond en controleer de werking van de rem.
Stel de rem zo nodig bij. De rem moet de volle remkracht bereikenvlak voordat de remhendel tegen het stuur komt.
Zie onder 6.6. voor onderhoud van de remmen.

5.7. Afstellen van de voorwiellagers (fig. 24)

Controleer of de wiellagers speling vertonen door tegen de zijkant van de wielvelg te drukken. Het lager (de naaf)
mag slechts een zeer kleine speling vertonen.

Bij overmatige speling gaat u als volgt te werk:
Verwijder het wiel uit de vork;

Draai de borgmoer (N) op de as los terwijl u de
lagerconus (C) tegenhoudt met een smalle
steeksleutel. Verdraai de lagerconus om het
teveel aan speling op te heffen.
Draai de borgmoer vast terwijl u de conus in de gewenste stand houdt. Bij een juiste afstelling
zal het wiel vrij kunnen draaien zonder zijdelingse speling of merkbare wrijving.
Breng het wiel weer aan in de vork en draai de moeren aan met een moment van 22 Nm.

5.8. Afstellen van het trapstel

Controleer of het trapstel afstelling behoeft door een crank bij het pedaal vast te pakken en te proberen de trapas
heen en weer te bewegen. Let op dat u uw vingers uit de buurt van ketting en kettingblad houdt.

Eventuele speling.verhelpt u als volgt (zie fig. 25).
Draai de grote borgmoer (N) aan de linkerzijde
van het trapstel los door deze rechtsom te draaien;
Draai de lager conusmoer(R) aan de linkerzijde
van het trapstel zover linksom dat elke vorm van
zijdelingse speling wordt opgeheven. Indien
geen geschikte moersleutel voorhanden is,
steekt u een schroevendraaier in een sleuf van
de moer (R) en drukt u tegen de
schroevendraaiergreep om de moer te verdraaien;
Draai de borgmoer (N) weer vast door deze
linksom te draaien. Controleer de afstelling.


5.9. Bel
Voordat u gaat rijden en na een eventuele valpartij dient u te controleren of de bel nog helder klinkt.
Draai de beldop nooit te strak vast.


5.10. Afstellen van de stuurhoogte
De stuurhoogte kan niet worden veranderd.

6. Ondehoud

Het volgende onderhoud dient elke drie maanden plaats te vinden.

6.1. Bedieningskabels Controleer de bedieningkabels op gebroken strengen, rafels en knikken, vooral aan de uiteinden.
Vervang de kabel indien dergelijke gebreken worden geconstateerd. Indien de kabel in orde worden bevonden,
meer deze dan door enkele druppels lichte smeerolie op de bovenste uiteinden van de binnenkabels aan te brengen.

6.2. Ketting Smeer de ketting met lichte smeerolie.

6.3. Scharnieren Smeer alle scharnieren met lichte smeerolie.

6.4. Bouten en moeren Alle bouten en moeren zijn voorzien van borgmiddelen (borgmoeren, zelfborgende moeren, borgringen).
Desondanks moeten alle bevestigingsmiddelen van tijd tot tijd worden nagetrokken.

6.5. Pedalen Controleer of de pedaalassen nog stevig in de cranks zitten (rechtsom voor het rechter pedaal; linksom voor het linkerpedaal).

6.6. Remschoenen Na een totaal van 3 uur remmen moeten de remschoenen worden vervangen.

6.7. Smeer regelmatig de aandrijfas aan de rechterzijde met een beetje vet.

 

7. ACHTERWIEL EN AANDRIJFAS LAGERS

 Zowel de linker als het rechterachterwiel zijn dubbel gelagerd, enige speling hierin is normaal en behoort tot de constructie.
De lagers zijn van het type gesloten rollagers en hoeven niet te worden gesmeerd. De aandrijfas is aan de derailleurzijde ook
voorzien van gesloten rollagers en hoeven niet te woorden gesmeerd, enige speling is toegestaan en behoort tot de constructie.

 8. RESERVEONDERDELEN

 Reserve onderdelen kunt u bestellen via de importeur HOLLAND-BIKES telefoon 0229-271035

WWW.HOLLAND-BIKES.NL